Taalkeuze: Nederland English Sprache: Deutsch
aAaA
Valuepath
Laboratorium Veterinaire Pathologie

Vestigingsadres:
Verlengde Klinkertstraat 6
6433 PL Hoensbroek

T 045 545 1273
T 013 480 505 (België)
F 084 741 3160
E Mail naar valuepath

KvK: 50997823
BTW nummer:
8230.40.616.B.01
Valuepath Klanten Login

>>
Aanmelden nieuwe klant

>>

Zoeken op de site

Huidbiopten

Samenvatting

De gezelschapsdierenarts wordt dagelijks geconfronteerd met dermatologische patienten. In diagnostiek en (evaluatie van) de behandeling van deze patientengroep kan de veterinair-patholoog een belangrijke bijdrage leveren in de vorm van:

·       Cytologie van pustels en exsudaat

·       Histologisch onderzoek van huidbiopten

Het nemen van huidbiopten is nog niet algemeen gebruikelijk, maar zou eigenlijk altijd moeten gebeuren in de volgende gevallen: (nog) geen diagnose, geen succes met eerste ingestelde therapie, ongewone beelden, lange DD-lijst, verdenking op tumor. De biopten kunnen op twee manieren worden genomen:

·       Incisiebiopt: oa. geindiceerd bij vesikels en pustels om deze intact te verzamelen; voorts hij onderhuidse processen

·       Punch- cq stansbiopt: te nemen met stansen van minimaal 6 mm; op "kwetsbare" plaatsen ( ooglid of nagelriem ) 4mm-stans

De biopten worden bij voorkeur genomen van laesies in optimale ontwikkeling. Minimaal 3 biopten nemen indien mogelijk. Bij alopecia ook biopten nemen op de meest kale plekken. Papels, vesikels en pustels in hun geheel biopteren middels een incisiebiopsie. Voor de interpretatie door de patholoog is een goede en uitgebreide anamnese van eminent belang.

Uitgebreid

Het gebruik van het huidbiopt in de dermatologie

Voor de gezelschapsdierenpracticus zijn dermatologische problemen een dagelijks terugkerend fenomeen. Bij de oplossing van deze problemen is de dermatologische kennis en ervaring gepaard aan een meer of minder strak doorgevoerd dermatologisch onderzoeksprotocol vaak voldoende om tot een (waarschijnlijkheids-)diagnose en een eventuele therapie te komen. Een volledig protocol omvat een goede anamnese, een algemeen en specifiek lichamelijk onderzoek en dermatologisch onderzoek incl. aanvullende onderzoeken zoals huidafkrabsels (oppervlakkig en diep), bacteriologie, schimmelonderzoek (Woodse lamp, schimmelcultuur), cytologie van pustels en exsudaat en huidbiopten. Vooral van de laatste mogelijkheid wordt door de practicus bij huidproblemen anders dan bij huidtumoren, slechts spaarzaam gebruik gemaakt. Echter, de voordelen die men heeft door vaker en in een vroeg stadium van de dermatopathologie gebruik te maken, zijn velerlei. Om van een dergelijk onderzoek zo veel mogelijk profijt te hebben, moet echter wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. In dit artikel zullen wij deze aspecten van het onderzoek aan huidbiopten trachten duidelijk te maken.

Indicaties voor het nemen van huidbiopten

Indien na een dermatologisch onderzoek geen goede (waarschijnlijkheids-)diagnose kan worden gesteld, maar ook als succes uitblijft na het instellen van een eerste therapie op basis van een eerder gestelde diagnose, is het raadzaam om huidbiopten te nemen. Verder zouden alle van tumor verdachte lesies moeten worden gebiopteerd. Maar ook in een eerder stadium en bij een goede (waarschijnlijkheids-)diagnose zal in sommige gevallen histopathologisch onderzoek geindiceerd zijn : overeenstemming van de klinische en pathologische diagnose en de snelheid waarmee men tot een meer zekere diagnose kan komen zal het vertrouwen van de eigenaar vergroten, terwijl ook een aanzienlijke besparing van kosten kan optreden.

Overigens zal zeker niet ieder dermatopathologisch onderzoek de exacte diagnose opleveren, maar wel zal bijna steeds een aantal ziektes kunnen worden uitgesloten of zal het mogelijk zijn tot een minder uitgebreide klinische differentieeldiagnose te komen. Tenslotte zouden biopten gebruikt kunnen worden om het verloop van een therapie te volgen of om, zoals bv. in het geval van alopecia en hernieuwde haargroei, te komen tot een prognose.

Het afnemen der biopten

Er zijn een tweetal methodes om biopten te nemen, ieder met eigen voor- en nadelen.

Incisiebiopt

In geval van vesikels en bullae, die men liefst heel laat bij bioptname, is men op deze methode aangewezen. Ook bij verwachte afwijkingen in het onderhuidse vetweefsel is deze methode meer geschikt om voldoende van dit weefsel te verkrijgen. In een dergelijk biopt kan men de overgang van normaal en afwijkend weefsel, waarin zich vaak de voor de ziekte karakteristieke veranderingen voordoen, opnemen en, omdat de coupes in de lengterichting gesneden worden, bestaat er geen kans, dat er alleen normaal weefsel In de coupe te zien is.

Punchbiopt

Dit wordt gedaan met behulp van in de handel verkrijgbare biopteermesjes (huidstansjes). Deze zijn in een aantal maten verkrijgbaar. Een maat van 6 mm of groter is wenselijk : dit geeft minder afname-artefacten (torsie), een groter stuk weefsel  ter microscopische beoordeling en een betere oriëntatie bij het halveren der biopten. De punch-biopten zullen voor verwerking tot paraffine-materiaal meestal gehalveerd worden. Dit halveren gebeurt bij voorkeur in de lengterichting van haren, zodat later de adnexa zo veel mogelijk in deze richting in de coupe liggen.

Microscopische beoordeling van coupes waarin de haren in de lengterichting zijn aangesneden levert de meeste bruikbare gegevens. Reserveer de 4mm mesjes voor plaatsen zoals ooglid, neusdop en nagelriem. Bij kleine biopten, zoals die verkregen d.m.v. deze 4mm stansjes, is het bij de verwerking vaak moeilijk om te zien wat de bovenzijde van een biopt is: verstandig is dan om het stukje, voordat het in het fixatief wordt overgebracht, met de onderzijde voorzichtig op b.v. een klein stukje karton te drukken en dan omgekeerd in de formaline te plaatsen.

Om de artefacten bij het gebruik van huidstansjes zo klein mogelijk te maken dienen alleen scherpe mesjes te worden aangewend (niet bij meer dan 3 patienten gebruiken). Bij het afnemen wordt het mesje met lichte druk en met een draaiende beweging in één richting (niet heen en weer !) tot in het subcutane weefsel gebracht.

In de meeste gevallen zal men kunnen volstaan met een lokale verdoving. De te biopteren plaatsen worden gemerkt met viltstift en op die plaats wordt de huid lokaal verdoofd: na enkele minuten zou zonder markering niet meer te zien zijn waar de lokaalanaesthesie was toegediend. Een sedatie of een meer uitgebreide anaesthesie zal vaak alleen nodig zijn bij het nemen van incisiebiopten. Voordat de biopten worden afgenomen, kunnen voorzichtig de haren worden weggeschoren. Daarna echter worden de uitgekozen bioptplaatsen niet gewassen of gedesinfecteerd; dit om artefacten en het verwijderen van materiaal dat voor een diagnose van belang zou kunnen zijn, te voorkomen.

Bij het nemen van biopten is het van belang om een aantal regels in acht te nemen en zo te komen tot een zo goed mogelijk resultaat c.q. een zo goed mogelijke uitslag:

1.  Neem de biopten kort nadat ze tot volle ontwikkeling zijn gekomen. Te jonge en te oude laesies laten wellicht de typische histologische kenmerken nog niet of niet meer zien, terwijl te oude laesies  vaak door zelf-trauma allerlei secundaire veranderingen vertonen.

2.  Bij voortschrijdende processen neme men ook biopten van de rand van het proces en in het geval van ulcera behalve van de ulcus, ook van het direct omgevende, niet-geulcereerde weefsel.

3.  Neem steeds een groter aantal biopten (min. 3) van verschillende plaatsen. De kosten van het onderzoek zijn meestal niet hoger en de kans. dat de dermatopatholoog typische, primaire veranderingen vindt. wordt er sterk door vergroot. Het nemen van meer biopten geeft, zeker indien de clinicus de ontwikkeling van de laesies kent of vermoedt, de mogelijkheid om de ontwikkeling der laesies op microscopisch niveau te volgen.

4.  Bij alopecia is het van belang om de biopten (ook) op de meest kale plaatsen te nemen, aangezien biopten uit de randzone vaak vrij normale en in ieder geval moeilijk te interpreteren beelden opleveren. Ook uit het overgangsgebied en uit het omgevende normale huidweefsel neme men een biopt.

5.  Biopten worden in het laboratorium meestal gehalveerd. Daarom is het van belang om in het de juiste snijrichting te bepalen. De snijrichting is i.h.a. zodanig dat de haarfollikel in de lengterichting in de coupe verschijnt. Bij alopecia is het soms niet mogelijk om in het lab de follikels waar te nemen. Ook indien gebiopteerd is op een grens van normaal naar abnormaal, is dat in een gefixeerd biopt niet meer waar te nemen. Zet daarom een lijn met niet wisbare inkt voor het afnemen der biopten op de huid, zeker indien punchbiopten worden genomen: in geval van alopecia in de haarrichting (te beoordelen aan de niet kale delen en/of aan de locatie) en in geval van grenzen (b.v. ulcusgrens) dwars op deze overgang. Vervolgens op deze lijn biopteren.

6.   Papels, vesikels, pustels en bullae tracht men zo mogelijk als geheel te biopteren; dit lukt vaak het beste d.m.v. incisiebiopten.

Verwerking en verzending der biopten

Nadat de weefselstukjes zijn afgenomen, meestal m.b.v. huidstansjes, worden ze voorzichtig met daartoe geëigend instrumentarium van het onderliggende weefsel losgemaakt. Vervolgens dienen de biopten zo snel mogelijk in een goed fixatief te worden gebracht. Het meest gebruikte fixatief is formaline dat in de juiste concentratie, gebufferd en geneutraliseerd ter voorkoming van artefacten, dient te worden aangewend.

Deze kunt u bij ons in voorgevulde verzendpotjes verkrijgen maar ook als kant en klare oplossing in 1 of 5 liter verpakking. Een van de belangrijkste zaken bij het versturen van huidbiopten is, dat de biopten vergezeld gaan van een uitvoerige beschrijving van de relevante gegevens: signalement, anamnese. macroscopie, verloop, diagnostiek, therapie en alle overige zaken die van belang zouden kunnen zijn (clinical history). Een beschrijving zoals "chronische dermatitis" of "jeuk" is te enen male onvoldoende. Alleen met voldoende gegevens zal een zo goed mogelijke interpretatie van het histologische beeld plaatsvinden, waarbij behalve een histologische beschrijving en diagnose ook een (poging tot) etiologische of pathogenetische differentieeldiagnose kan worden geleverd. Niet in de laatste plaats is het van belang om d.m.v. voldoende gegevens de dermatopatholoog te inspireren.

Niets werkt zo demotiverend als het ontbreken van een goed "verhaal". Tenslotte is het van het grootste belang om de dermatopatholoog, ook nadat deze een (differentiële) diagnose heeft geleverd, met een"follow up" op de hoogte te houden van de uiteindelijke klinische diagnose, het verloop van de ziekte en het resultaat van een therapie. Dit is een belangrijke mogelijkheid tot "continuing education" van degene die de dermatopathologie beschrijft.